Roken tijdens zwangerschap verhoogt de kans op een kind met gedragsproblemen. Dit blijkt uit gegevens van de Britse Millennium Cohort Study waaraan ruim 13.000 moeders en hun kinderen (geboren in 2000 en 2001) deelnemen. De gedragsproblemen zijn al zichtbaar op de leeftijd van 3 jaar (J Epi Com Health., doi:10.1136/jech.2009.089334v1).
De moeders werden in 4 groepen onderverdeeld afhankelijk van het zelf gerapporteerde aantal sigaretten dat zij gedurende de zwangerschap per dag rookten: lichte rooksters (minder dan 10 sigaretten per dag), zware rooksters (10 of meer sigaretten per dag), gestopt tijdens zwangerschap en niet-rooksters.
Eén op de 10 moeders (9,6%) gaf aan tijdens de zwangerschap niet minder te zijn gaan roken. 12,5% rookte tijdens de zwangerschap minder dan normaal, 12,4% was tijdens de zwangerschap gestopt en 65,5% had nooit gerookt tijdens de zwangerschap.
Rekening houdend met factoren als leeftijd van de moeder, opleiding, gezinssamenstelling, socio-economische status en familiesituatie bleek dat jongens op de leeftijd van 3 jaar van wie de moeder rookte tijdens de zwangerschap meer gedragsproblemen vertoonden dan jongens van wie de moeder niet rookte. Daarbij ging het om driftbuien, vechten, onoplettendheid en hyperactiviteit, zoals friemelen, en gebrek aan concentratie. Voor jongens met de ernstigste gedragsproblemen gold dat in vrijwel alle gevallen hun moeder zwaar rookte tijdens de zwangerschap.
Wanneer de scores voor gedrag werden gescheiden van die voor onoplettendheid en hyperactiviteit bleken ook bij meisjes gedragsproblemen aanwezig die verband hielden met het rookgedrag van de moeder. Scores voor onoplettendheid en hyperactiviteit liepen echter alleen bij jongens parallel aan het rookgedrag van de moeder tijdens zwangerschap. Bij jongens van moeders die veel rookten was het risico op een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit verdubbeld. Zonen van moeders die licht rookten hadden 80% meer kans op deze stoornis.
Roken tijdens zwangerschap beschadigt de structuur en de functie van de foetale hersenen. Dat is al in proefdieren aangetoond, schrijven de auteurs. Mogelijk zijn jongens tijdens de foetale ontwikkeling van de hersenen gevoeliger voor chemische invloeden dan meisjes, wat verklaart dat jongens vaker dan meisjes gedragsproblemen vertonen. Volgens de auteurs is in de baarmoeder al sprake van een complexe interactie tussen genetische aanleg en omgevingsfactoren, hetgeen later bij het kind tot gedragsproblemen kan leiden.

